1.Lang voor de grange

Een tafel onder de bomen, ergens in het zuiden — waar de droom begon.
Het begon niet met een steen, niet met een plan, niet met een rekening. Het begon met een tafel onder de bomen, ergens in het zuiden, aan het einde van een dag waarop niemand op de klok had gekeken. De kleinkinderen sliepen al de slaap van de onschuldigen; aan tafel speelden wij Pictionary tot ver in de avond. Mannen tegen vrouwen, of scherper nog: ik en mijn twee zonen tegen onze drie echtgenotes. De regels pasten zich elke ronde aan en het ging op leven en dood, en net daarom was het telkens weer hilarisch. Jaren later doken de anekdotes van een tekening uit een vorige zomer nog moeiteloos op. Umi die lachte. Het licht dat traag wegzakte. Dat is het beeld dat ik bewaar, en het is het beeld waar alles uit voortkomt.
Elk jaar zochten we zo’n plek op in Frankrijk. Een huis met een zwembad, een streek om te ontdekken, een paar dagen waarin het gewone leven — het leven dat het hele jaar van je vraagt — even zijn greep losliet. Umi maakte er een erezaak van: telkens weer een andere omgeving, van een villa aan zee tot een heus sprookjeskasteel. We zijn zowat overal geweest. En elk jaar opnieuw bleek dat samenzijn geen luxe, maar een levensbron. Een bevestiging van de band die we nodig hadden, het stille akkoord dat we er voor elkaar zijn, in voor- en tegenspoed.
Langzaam rijpte een gedachte. Wat als die plek niet elk jaar een andere was, maar de onze? Iets wat we zelf zouden maken, met onze handen en onze keuzes, en dat we ooit konden doorgeven — wanneer er voor de kinderen alleen nog de herinneringen zouden zijn aan de vakanties met Umi en Opa. Geen investering, niet in de eerste plaats. Een plek om naar terug te keren.
Eenvoudig was die gedachte niet. Het was vallen en opstaan, doen en toch weer niet doen, en vooral: hoe begin je hier in godsnaam aan. Ik houd dingen graag zelf in de hand — niet uit wantrouwen, wel omdat ik rustiger word als het loopt zoals het hoort. Een huis kopen in een ander land, in een taal en een rechtssysteem dat het jouwe niet is, gaat lijnrecht tegen dat instinct in. Dus stelden we het uit. Tot het, op een jaar, niet langer uit te stellen viel.
Wat we zochten, had eigenlijk geen adres. Het was een werkwoord. Drie zelfs. Trager gaan. Ademhalen. Blijven. Niet de volgende bestemming, maar een plek die op ons zou wachten — dezelfde, jaar na jaar, met haar eigen seizoenen.
We wisten toen nog niet dat die plek een oude grange zou zijn, verscholen in de bossen van de Périgord Noir, met een boomgaard van châtaigniers voor de deur. Bomen die we nog niet kenden, en die vandaag de naam van het huis dragen. Maar eerst moest ze gevonden worden. En vinden, dat bleek een verhaal op zich.
Ralentir. Respirer. Rester.


