9.Betonblokgrijs

Over betonblokgrijs, zandstralen in een CSI-overall en een marter met een goede smaak
Het is een tijdje stil geweest in dit journaal. Op de werf was het dat niet. Johan en zijn leger van mignons hebben de voorbije maanden niet stilgezeten, en op den duur werd de nieuwsgierigheid sterker dan het geduld. Foto’s op een scherm zijn fijn, maar op een bepaald moment wil je met eigen ogen zien waar je eigenlijk voor getekend hebt.
Dus vertrokken we zaterdagochtend om zes uur, bij het ochtendgloren: Tania, haar ouders, de hond en ik. Een rustige rit, met de stops die zo’n gezelschap nu eenmaal nodig heeft, en om vijf uur ’s namiddags reden we Loubejac binnen. Elf uur onderweg. Een logistieker rekent dat uit, een hond vindt er gewoon iets van.
Voor het eerst logeerden we in Loubejac zelf. Tania had na wat zoeken een prachtige woning gevonden, eigendom van Belgen. Onze Franse vrienden hebben geen monopolie op chauvinisme: het hemd is nog altijd nader dan de rok. Le Petit Nichoir, prachtig verbouwd en uitgebaat door Chantal en Patrick, werd onze uitvalsbasis voor een week vol afspraken. Wie ooit een rustige vakantie zoekt in deze streek, onthoudt die naam best.
Zondagochtend volgde het eerste bezoek aan wat we ondertussen gewoon “de werf” zijn gaan noemen.
Onder de châtaigniers merk je meteen dat oktober hier zijn eigen werf heeft. Overal lagen kastanjes met hun stekelige bolsters, en tussen het blad schoten de paddenstoelen uit de grond. Dat laatste tot groot genoegen van mevrouw mijn schoonmama, die er niet genoeg van kreeg om ze te fotograferen en te determineren. Waar ik buizen telde, telde zij soorten. Ik vermoed dat haar inventaris vollediger is dan de mijne.





Want buizen waren er. Het zwembad is gemetseld, en uit zijn grijze karkas steekt een hele hoop leidingen die het geheel op een dag tot leven moeten wekken. Voorlopig oogt het vooral mistroostig, in een tint die ik betonblokgrijs zou noemen. Maar met wat goede wil en een flinke dosis verbeelding zie je het hemelsblauwe water al, met onze kleinkinderen die erin spelen.
Ook het terras ligt er, net als het grondskelet van de buitenkeuken en het poolhouse. Je staat tussen de fundamenten en ziet vooral wat er nog niet is, maar wel heel binnenkort moet komen.
En de grange zelf? Die begint vorm te krijgen. Bij ons vorige bezoek stond ze er triest bij, met houten platen voor haar ogen. Nu zag ze er een stuk minder mistroostig uit. Eerlijkheidshalve: het stralende herfstzonnetje hielp een handje.
Binnen had ik wel iets meer verwacht. Afwerking niet, zo naïef ben ik niet meer, maar toch al wat bewerkingen. Het verstand van een oude logistieker denkt in planningen, due dates en vaste afspraken. Het verstand van bouwheren en -dames, Frans of niet, doet dat niet. En zo leerde ik als bouwheer mijn eerste axioma: een afspraak is pas definitief op het moment dat ze niet doorgaat.
Momenteel ligt alles even stil. Van eind oktober tot eind januari moet alles weer aan het rollen gaan, en dan zouden we een eerste versie van het eindproduct te zien krijgen. Bij leven en welzijn, zoals een oude radiocoryfee zijn praatje steevast afsloot. Ik begin te begrijpen waarom.

Eén beslissing hebben we ter plekke wél genomen, en ze stond niet in het budget. De muren van de grange laten we zandstralen, zodat ze klaar zijn om ingevoegd te worden. Het had ook gekund na het plaatsen van ramen en deuren, maar dan loop je een onnodig risico op beschadiging van alles wat nieuw is. De logica wint het soms van de budgettaire beslommeringen. Ik geef toe dat het idee al rijpte toen ik Patrick aan zijn eigen woning in Loubejac zag werken. Toen bleek dat hij met zijn bedrijf PC Graphics ook voor derden verbouwt, was de link snel gelegd. Er werd eerst over kosten gesproken, zoals het hoort, en daarna waren we het snel eens.
Wat niet in het plan stond: dat we zelf zouden meedoen. Tania en ik trokken onze CSI-overalls aan, mondmasker op, en gingen helpen. Een dag lang zakken van vijfentwintig kilo in de zandstraalmachine kieperen en kruiwagens gebruikt zand weer naar buiten rijden. Ergens tussen de twintigste zak en de laatste kruiwagen vraag je je af of je op je bijna zesenzestigste niet wijzer zou moeten zijn. Het antwoord kende ik al. Ik heb het genegeerd.
Chantal en Patrick verbouwden zelf hun gastenverblijf én hun eigen woning, en verhuren al 6 jaar. Ze hebben dus al gedaan wat wij nu proberen, en we hadden er goede, verhelderende gesprekken mee. Zo’n ervaring is een bron waaruit je drinkt als je de kans krijgt. Hopelijk houden we er goede vrienden aan over.
En dan was er nog het akkefietje dat de week er niet makkelijker op maakte. Jullie kennen ze wel, die lieve beestjes met dat guitige snoetje: marters. Eentje, of een hele familie, wat weet ik, vond er niets beters op dan een paar kabels van onze auto door te knabbelen. Resultaat: een geïmmobiliseerde wagen, en vele gesprekken met soms vriendelijke en soms minder vriendelijke dossierbeheerders van het pechverhelpingsbedrijf dat onze verzekering had ingeschakeld. Ik heb die week het genoegen gehad om met een divers pluimage aan vervangwagens rond te rijden. Uiteindelijk reden we met zijn vieren, de hond en de bagage in een minibus richting Rijsel, en vandaar met een taxi naar Diest. Nogmaals dank aan Chantal, dat we een paar zakken mochten achterlaten tot de volgende keer. Anders hadden we in die taxi nog minder comfortabel gezeten dan nu al het geval was, en dat was al een prestatie.
Al bij al beschouwen we het als een avontuur, maar vooral als een leerschool. We hopen uiteraard dat onze gasten dit soort voorvallen nooit meemaken. Maar als het toch gebeurt, weten we straks precies hoe we hen begeleiden, zodat ze onze fouten niet opnieuw hoeven te maken. Zo bekeken was die marter een investering.
Van de zon van die eerste dag is trouwens niets meer gezien; de digitale weergoden op mijn iPhone hadden gelijk. In het vorige journaal schreef ik dat de châtaigniers tegen oktober hun blad zouden hebben laten vallen. Wat ze vooral lieten vallen, waren kastanjes. Ook zij houden zich niet aan de planning. Het moet aan de streek liggen.
Het volgende rapport komt wellicht ergens in december, afhankelijk van hoe de werken vorderen. Een afspraak, weet je wel. Maar de volgende keer wil ik mijn living kunnen binnenstappen. En mijn slaapkamer. Met mijn eigen auto.
Ralentir. Respirer. Rester.


